Waarom Emma Lesuis het niet meer over kleur wil hebben

In Brainwash Talks van Human delen invloedrijke denkers, schrijvers, kunstenaars en wetenschappers verrassende ideeën voor persoonlijke en maatschappelijke problemen. Deze keer storyteller en documentairemaker Emma Lesuis, die we de vraag voorleggen welk probleem er over vijftien jaar de wereld uit moet zijn.

Een tijdje terug had ik een goed gesprek met mijn broer, net voordat ik op het punt stond om een aantal weken naar Suriname te gaan. Daar waren wij allebei nog nooit geweest − en is mijn broer overigens nog steeds niet geweest. Maar we zijn er wel mee verbonden, omdat dat het land is waaruit onze grootouders van moeders kant begin jaren vijftig kwamen varen. Mijn moeders navelstreng werd niet in Suriname begraven, maar belandde gewoon hier in de vuilbak.

We hadden dus een gesprek, zo een die zeldzaam is, en ik vroeg hem waar het fout ging vroeger. Waarom we toch zo botsten met elkaar. Ik wist precies hoe hard ik naar boven moest rennen, wanneer we ruzie hadden, om mezelf op te sluiten in de badkamer zodat hij me niet kon pakken. Soms maakte mijn broer van de buitenkant de badkamerklink met een touwtje vast aan een andere deurklink zodat ik er helemaal niet meer uitkon. Het was een kleine badkamer op een zolderverdieping, dus voordat ‘maahaam’ me hoorde, zat ik daar al een tijdje. Beste vriendjes waren we dus niet bepaald.

‘Omdat je zo wit was’, gaf hij als antwoord. ‘Hoezo wit?’, zei ik net zo recalcitrant als kleine Emma van vroeger. ‘Gewoon’, zei mijn broer. En we waren even stil. Want we wisten we allebei precies wat hij bedoelde. Ik dacht gelijk aan mijn blonde vriendinnetjes waar ik mee omging op het gymnasium. Meisjes met namen als Willemijn en Noortje. Met vaders die felrode broeken droegen en elke zaterdag op het hockeyveld stonden. Zo’n meidenclubje. Waarvan de meesten na de middelbare school overgingen in andere clubjes en plots aan een biertap hingen.

Enfin. Hij vond mij wit. Maar ik vond hem ‘zwart doen’. Maar dat was natuurlijk een gekke gedachte. Want hij ís zwart. Of bruin, of whatever. Hoe kan je een kleur doen? Maar ik vond dat hij zich anders gedroeg zodra hij de deur uitging, dan wie hij daadwerkelijk was. Hij gedroeg zich zo… ‘allochtoons’. Alsof hij niet van hier kwam, maar volgens het CBS waren we toch echt ‘gewoon’ autochtoon. We spraken geen andere taal thuis, onze moeder mocht namelijk geen Surinaams leren van haar ouders. Dus wij spraken het al helemaal niet en zo leerden we doekoe en fawaka net als andere klasgenootjes gewoon van Def Rhymz. Wel aten we bijna elke dag rijst, kwamen er met speciale avonden verschillende kleuren Fernandes op tafel en een keer per jaar hadden we ons Kwakoe-uitje. Oh ja, en dan was er nog onze oma die knoflook in de hoek legde tegen kwade geesten. Tot zover ons allochtoon-zijn.

“Hoe vermoeiend het ook is, we moeten het over diversiteit blijven hebben, net zolang totdat het niet meer nodig is.”

Suriname stond dus ver weg, van de Surinaamse cultuur hadden we weinig kaas gegeten en dat was misschien ook de reden dat we er beiden nog nooit waren geweest. Hoewel we er wel constant aan gelinkt werden − en worden − omdat we altijd die vraag krijgen waar we vandaan komen. Het viel op dat mijn broer op jongere leeftijd heel erg bezig was ‘waar hij dan écht vandaan kwam’. Ik vroeg waarom. ‘Ik hoorde nergens echt bij. Niet bij de Surinamers, niet bij de Marokkanen, maar ook niet bij de Nederlanders.’ ‘Dus je was eigenlijk al op hele jonge leeftijd bezig met je identiteit.’ ‘Ja klopt, maar niet omdat ik het wilde, maar omdat ik voelde dat het mij werd opgelegd.’ En dus ging hij op zoek.

Zo splitsten onze wegen: hij hing op straat met allerlei kleuren vrienden − van Joegoslavië tot Paramaribo − en ik stond op het bordes met de Isabelle’s en Sophie’s. Hij zat, net als mijn zus, eerst ook op het gymnasium, maar na een jaartje de clown uithangen, ging hij ervan af. Ik vroeg waarom. ‘Omdat niemand op mij leek. Maar ik was wel over hoor’, voegde hij er snel aan toe. En zo ging hij naar school nummer twee, nummer drie, nummer vier… en giechelde ik naar klas vier, vijf en zes. En het is wel eens voorgevallen dat ik stond te dansen in de club met mijn vriendinnetjes, hij buiten moest blijven met zijn vriendjes.

‘Daarom mocht ik je niet’, zei hij. Ik lachte hem uit, volgens hem, als hij of een van zijn vrienden de club niet binnen kwam. Stonden ze in Zoetermeer op de gastenlijst, gold die niet voor hen. In Rotterdam gingen ze de ene na de andere club af. Dat uitlachen, hoewel ik me dat niet kon herinneren of voorstellen, is hem haarscherp bijgebleven. Wat meerdere kerstavonden als een explosieve boomerang terugkwam. Wat ik me wel goed kon herinneren was dat mijn broer een keer thuis kwam van werk, de autosleutels op tafel gooide en mompelde dat er in de auto was gekrast. Wat heeft hij nu weer gedaan, dacht ik meteen. Er bleek een W en een P in onze auto te zijn gekrast. Hoewel ik zo min mogelijk met mijn broer wilde praten, vroeg ik hem wat het betekende. ‘White Power.’ Dan was er weer die stilte. ‘Jeetje.’ Er werd niet over gepraat. ‘Gewoon domme mensen’, besloten mijn ouders. ‘Niet op letten, hebben we niets mee te maken.’ Die krassen waren krasjes. Het grappige was wel dat mijn vader − mijn witte vader − nog twee weken rondreed met die WP op zijn auto.

Hoewel ik het oprecht heel sneu vond voor mijn broer, het was hoogstwaarschijnlijk ook nog een collega geweest, zei ik dat niet tegen hem. We waren immers een soort van vijanden. Ik schaamde me bovendien voor hem. Als iemand mij vertelde wat hij had uitgespookt. Dat hij weer niet naar voetbal was geweest. Of die keer dat de politie aan onze deur stond. Ik was woest. Meer dan woest. Wat zouden de buren wel niet denken? En wat moest ik in godsnaam tegen mijn vriendinnetjes zeggen?

Tekst loopt door onder de afbeelding.
1559824966.jpg
Emma Lesuis in Brainwash Talks (foto: Robert Lagendijk).

Ik wilde er niets mee te maken hebben en stond gezellig in de kroeg aan de Coebergh-sprite. Zoals ik ook in de kroeg stond om mijn achttiende verjaardag te vieren, toen een groepje mensen die eruit zagen als neonazi’s hun oog op mij lieten vallen. Ik mocht niet in die kroeg staan. Dat was niet mijn kroeg, volgens hen. Nu ben ik niet op mijn mondje gevallen, maar er kwam niets uit. Ik begreep het niet. Want dit was toch mijn kroeg, ik kende bijna iedereen daar? ‘Gewoon malloten’, zei een klasgenoot. ‘Niet op letten. Boeien.’ Maar dit was anders. Dit begrepen zij niet. Die haat in de ogen, om iets wat ik niet kan veranderen, zou ik nooit meer vergeten.

Het was deze, ja hoe noem je dit, ‘vreemde ervaring’ die mij anders naar mijn broer deed kijken. Hij was dan wel mijn irritante broer met te veel energie, maar hij was − in de buitenwereld − ook en vooral een zwarte jongen. Waar bepaalde connotaties en vooroordelen aan kleefden en waar hij zich naar ging gedragen. Ik had oogkleppen op. Ik zag of ik wilde het niet zien. Het was de eerste keer dat ik dat stilletjes besefte. Maar de oogkleppen gingen al snel af toen ik in de werkende wereld terechtkwam en zelf een duidelijke stempel op kreeg geplakt: ik was divers. Tijdens een televisiestage werd dat verduidelijkt toen een marketingmanager in streepjespak bij de jaarvergadering vertelde over ‘diversiteit’ dat in koeienletters op het scherm verscheen. Met mijn naam eronder. Er viel blijkbaar geld aan mij te verdienen. Subsidies konden ingediend worden door de kleur van mijn huid. In eerste instantie vond ik het ronduit beledigend. Ik was toch gewoon Emma? Hoe kon ik mijn huidskleur zijn? Hoe anders was ik dan blonde Willemijn of Noortje, alhoewel ik niet op hockey zat?

Pas veel later kon ik het grotere plaatje zien: het gebrek aan diversiteit of diverse stemmen binnen organisaties, instituten en bedrijven is een veel groter maatschappelijk probleem dan ik dacht. Door uit te zoomen zag ik de zee van witte mensen − mannen en her en der een vrouw − aan de top. Ik dacht aan mijn broer. We hadden het over rolmodellen gehad en het belang van representatie. Zelf wilde ik vroeger Aldith Hunkar worden. Mijn broer had Tupac aan de muren hangen. Ik vroeg me af of het ertoe deed dat hij op het eerste gezicht niet op zijn vader leek.

Aan mij werd gevraagd wat ik over vijftien jaar veranderd zou willen zien en ik moest aan die representatie denken. Maar ik sprak redacteur Adinda van Brainwash Talks aan de telefoon en zei dat ik het er echt niet meer over wilde hebben. Over ‘kleur’. Iedereen is er moe van, bovendien blijft het je achtervolgen, zo frame ik mezelf en voor je het weet heb je heel Nederland op je dak. ‘Wel jammer’, zei ze. ‘Je zou willen dat we het er niet meer over hoeven te hebben, dat het niet meer nodig is en er geen ongemak meer is, maar het belet je om het er over te hebben, omdat het zo ongemakkelijk is.’ Ik dacht na. Aan mijn broer. Aan ons gesprek.

Toen was net ondernemer Gilly in het nieuws die een Surinaamse ijssalon had geopend in Hilversum, maar maandenlang werd getreiterd door racistische jongeren. Ik keek naar het filmpje waarin ze zwaaide met haar stok, naar die jongeren. Ze moet hebben geweten dat het niets uitmaakte, dat ze kon zwaaien wat ze wil, maar dat ze het nooit zou winnen. Alsof ze bleef slaan tegen een wespennest en die wespen zo alleen maar meer op haar af zouden komen. In het zwaaien herkende ik mijn broer.

Tekst loopt door onder de video.

Rechtszaak tegen Gilly Emanuels.

Na haar vrijspraak vertelde ze opgelucht bij Jinek dat ze zo blij was dat er allemaal mensen naar de rechtszaak waren gekomen die op haar leken. Ik zag de vele mensen die daar waren om haar te steunen. Die begrepen hoe het voelt als erkenning uitblijft. En ik voelde de gezamenlijke pijn door het beeldscherm heen. Iets wat niet in woorden uit te leggen is als je het niet hebt meegemaakt. En gelukkig maar.

Daarna zag ik het filmpje van Wesley Sneijder die schreeuwde dat hij geen kleur ziet. Ik dacht aan de oogkleppen die we met zijn allen ophebben. Aan onwetendheid, arrogantie die aan de witte huid geplakt zit. Ik dacht aan mijn eigen witheid van vroeger. Aan de schaamte. Ik dacht aan al die dingen, boosheid, frustratie en slachtofferschap, die aan de zwarte huid gekleefd zitten. En ik dacht dat als we een inclusieve samenleving willen, vrij van hokjes, waarin je mag en kan zijn wie je bent, waarin er geen diversiteitsstages of diversiteitsmanagers meer nodig zijn, een waarin we misschien echt kleurenblind zijn − omdat de kleur van je huid, de sekse, je seksuele voorkeur of je naam echt niet meer uitmaakt − dat we om daar te komen dan juist nu wél moeten focussen op diversiteit.

Ik dacht aan mijn broer. Aan Gilly en al die anderen. Ik dacht aan de noodzaak ervan. Dus ik gaf Adinda gelijk. We hebben daar met zijn allen een verantwoordelijkheid in. Zodat kinderen die over vijftien jaar opgroeien geen krassen op hun harde schijf krijgen van zoiets loos als racisme of discriminatie. Hoe vermoeiend het ook is, we moeten het er wel over blijven hebben, net zolang totdat het niet meer nodig is. Het was een goed gesprek geweest, zo aan de vooravond van vertrek naar Suriname. Mijn broer vond het gaaf dat ik er ‘zo mee bezig was’. Hijzelf was er allang niet meer mee bezig, hij wist wel wie hij was. Nu pas ging ik zelf op zoek en stonden de koffers klaar. Hij wenste me een mooie reis.