Hier sta ik voor


CHIMAMANDA NGOZI ADICHIE – Ik woon zowel in Nigeria als in de Verenigde Staten en zie beide landen als mijn thuis. Ik houd van deze landen om verschillende redenen. Toch hoop ik dat als ik ooit ziek mocht worden, ik in de Verenigde Staten ben. Amerikaanse ziekenhuizen zorgen ervoor, tenminste bij mensen zoals ik die het geluk hebben een zorgverzekering te hebben, dat je je prettig voelt. Ze geven je enorme hoeveelheden pijnstillers. Dit is niet het geval in Nigeriaanse ziekenhuizen. Het is niet zozeer dat Nigeriaanse ziekenhuizen niet willen dat je je prettig voelt; ze zijn er gewoonweg niet zo in geïnteresseerd. Ze willen je genezen. Dus mocht ik ooit geopereerd worden, dan ben ik liever high en pijnvrij. Het leven is al gecompliceerd genoeg.

Ik denk dat dit ziekenhuisvoorbeeld een deel is van een groter Amerikaans ideaal: de verslaving aan comfort. Deze comfortverslaving is zeer fijn in ziekenhuizen, maar leidt vaak tot het stilvallen van het publieke debat. Ik wist altijd al dat we als mens onszelf continu censureren. We houden ons in omdat er bepaalde verhalen zijn waar we loyaal aan zijn. Maar het was pas toen ik naar Amerika ging, dat ik erachter kwam dat er specifieke manieren zijn waarop je naar de wereld moet kijken. Dat er dingen zijn die je wel en die je niet moet zien. Ik ontdekte dat in het publieke debat over onderwerpen als ras, inkomensongelijkheid en geslacht, in de VS niet waarheid het doel is, maar comfort.

Het lijkt alsof het gaat om het comfort van iedereen, maar in werkelijkheid draait het om het comfort van de allermachtigsten. Het heeft me altijd verbaasd hoe snel mensen in Amerikaanse media ontslagen worden om iets wat ze gezegd hebben. Deze verbazing komt niet omdat ik het eens ben met wat ze zeggen – meestal ben ik dat niet –, maar ik ben verbaasd omdat wanneer mensen op deze manier het zwijgen wordt opgelegd, een grotere stilte volgt. Iemand ontslaan om wat ze gezegd heeft, zonder met haar te praten, bevestigt op een bepaalde manier de macht, zo niet de waarheid, van hetgeen ze gezegd heeft.

Zelfs de literaire wereld is verslaafd aan comfort: boeken worden vaak bekritiseerd wanneer ze geen verlossing of goed einde bieden. We praten over de lelijke kanten van de menselijke natuur alsof wij zelf niet tot zulke wreedheden in staat zijn. We willen ze niet erkennen. Dit niet-erkennen leidt tot zwijgen.

Op veel universiteiten in de VS gebeurt iets vergelijkbaars. Vanuit een goedbedoelde bescherming van studenten, ontstaat er vaak een geïsoleerde ruimte waar bepaalde vragen niet gesteld (mogen) worden, bepaalde taboes niet doorbroken worden en onwetendheid niet wordt erkend.

In mijn ervaring is de mogelijkheid toe te geven onwetend te zijn iets geweldigs. Toen ik jong was hield ik ervan om naar de kerk te gaan. Met mijn familie ging ik iedere week naar de Sint Peter Kapel, een kleine katholieke kerk in het zuidoosten van Nigeria. Ik hield van de Latijnse gebeden, de prachtige liederen en de geur van wierook. De kerk was het eigendom van de Paters van de Heilige Geest, en – voor zover dat mogelijk is in de katholieke kerk – was het er open, veilig, progressief en hartelijk. De zondagse preek was saai, geruststellend en ongevaarlijk. Na de mis bleven mensen hangen om na te praten, te roddelen en elkaar te steunen. Jaren later, nadat ik Nigeria verlaten had, hoorde ik dat de kerk van eigenaar gewisseld was; zij was nu in het bezit van een priester die zich alleen richtte op de kleding van vrouwen. Op zondag hing er niet langer een lijst met alle psalmen en informatie over de bijeenkomsten. In plaats daarvan hing er een lijst met wat vrouwen wel en niet mochten dragen naar de kerk. Geen hemden met spaghettibandjes en geen mouwloze bloezen. De priester stelde een groep jonge mannen aan, een religieuze politie, om bij de ingang van de kerk elke vrouw te controleren op ‘onfatsoenlijkheden’. Oma’s werden weggestuurd omdat hun bloezen te diep uitgesneden waren. Ik was woedend, een abstract soort woede. Omdat ik niet langer thuis woonde, leek het ook heel ver weg.

Op een dag ging ik bij mijn ouders op bezoek en ging ik weer mee naar de kerk. Ik droeg een lange rok en een bloes met korte mouwen. Een normale outfit. Bij de ingang van de kerk hield een jonge man me tegen. Hij had de onaangename blik van zelfgenoegzaamheid – als de omstandigheden anders waren geweest had ik deze blik vast erg grappig gevonden. Hij vroeg me om te keren. ‘Je mouwen zijn te kort,’ zei hij. Ik liet te veel ‘arm’ zien. Ik was woest. Deze kerk hoorde bij mijn jeugd, maakte deel uit van een zorgvuldig gekozen groep herinneringen aan een betere en vrolijkere tijd. Door zo plotseling te veranderen bedreigde het mijn eigen herinnering, zelfs mijn eigen identiteit. Als ik deze verandering toestond deed ik op de een of andere manier mijn eigen herinnering tekort. Daarom besloot ik een artikel over het incident te schrijven in een veelgelezen krant. Ik dacht, met een gevoel van grootsheid, dat dit artikel tot actie zou leiden. Dat de universitaire gemeenschap in opstand zou komen en ‘genoeg!’ zou zeggen. Ik dacht dat zij een petitie zouden opstellen om de bisschop of de paus of wie hier dan ook de beslismacht over heeft, op te roepen deze priester eruit te gooien en de kerk weer tot een gastvrije plek te maken, vrij van die smerige misogynie. Zelfs al zou dat niet gebeuren, dan nog was ik er zeker van dat ik steun zou krijgen. Veel mensen zeiden immers dezelfde dingen die ik voelde. Maar zij zeiden het in de privékring.

Het gebeurde niet. In plaats daarvan was ik verbijsterd over de hoeveelheid minachtende reacties die ik kreeg, van zowel de mensen binnen als buiten de gemeenschap. Wat me vooral trof was dat de reacties niet zozeer ingingen op wát ik had gezegd, maar in plaats daarvan gingen over waarom ik me stil had moeten houden. Mensen zeiden dat ik mijn mond moest houden omdat ik jong was, omdat ik vrouw was. Ik vond het interessant dat zowel de acties van de priester als de reacties op mijn artikel dezelfde motivatie hadden: de controle van vrouwen, de ontmenselijking van vrouwen.

Deze tendens bestaat ook in de literaire wereld. Zo wordt van vrouwelijke auteurs vaak verwacht dat zij hun vrouwelijke karakters aardig en sympathiek maken. Alsof het volwaardig menszijn van de vrouw uiteindelijk moet vallen binnen wat als sympathiek gezien wordt.

Als ik had geweten dat er zo’n ophef zou zijn na publicatie van mijn artikel, zou ik het dan toch gepubliceerd hebben? De waarheid is dat ik het niet weet. Wat ik wel weet, is dat ik het vandaag weer zou doen. Waarom schreef ik een stuk over de kerk? Omdat het van groot persoonlijk belang was. Omdat ik het een groot onrecht vond en omdat ik geloofde, zij het wat naïef, dat mijn artikel een positief verschil zou maken. Onze redenen om ons uit te spreken zijn belangrijk, de intentie is van belang. Ik bedoel niet dat onze intentie nobel of waardig moet zijn; ik kan zelf niet zo goed tegen edelmoedigheid. Wat ik bedoel is dat op een menselijke manier onze intenties oprecht moeten zijn. Er is iets vreemds aan je uitspreken simpelweg om je uit te spreken, of je uitspreken alleen om te provoceren.

Er zijn zoveel situaties in de wereld die eisen dat we ons uitspreken. Ze eisen dat we het comfort van het zwijgen opgeven. De Nigeriaanse overheid voerde onlangs een wet in die homoseksualiteit criminaliseert. Er werd veel over de wet gesproken en hij werd breed gesteund. De ‘anti-gay wet’ werd hij genoemd. Hij legitimeerde demoniserende taal. En als de taal bestaat, dan kunnen de daden volgen. Er volgde inderdaad geweld. Allerlei mensen werden aangevallen en gearresteerd vanwege hun homoseksualiteit. Veel mensen hielden zich stil. Ik besloot erover te schrijven omdat het me diep raakte dat landgenoten zonder reden werden aangevallen, mogelijk met de dood tot gevolg. Ik besloot te schrijven als burger, als persoon die het geluk heeft een platform te hebben om gehoord te worden. Slechts één persoon van gedachten te doen veranderen, te laten inzien dat iemand niet waardeloos is door wie ze liefheeft, zou genoeg zijn. Ik verwachtte veel verontwaardiging, maar toch werd ik erdoor verrast van hoe nabij de aanvallen kwamen. Mensen belden mijn familieleden om hun te zeggen dat ze me mijn mond moesten laten houden. Een nicht verloor bijna haar baan omdat haar baas zei dat ze uit een familie komt die het kwaad steunt.

Je uitspreken is dus niet zonder gevolgen, en toch moeten we het doen. Waarom zwijgen mannen bijvoorbeeld over verkrachting? Bij protesten tegen verkrachting en huiselijk geweld zijn er soms wel enkele mannen aanwezig, maar de overgrote meerderheid is vrouw. Waarom? Verkrachting gaat over mannen als daders en andere mannen zouden zich moeten uitspreken. Zij hebben een verantwoordelijkheid om te zeggen: ‘Over mijn lijk.’ En dus roep ik mannen vandaag op om het comfort van zwijgen los te laten. Natuurlijk zeg ik niet altijd wat ik denk, er zijn situaties waarin ik ervoor kies om mijn mond te houden, helemaal in mijn privéleven als persoon met vrienden en familie, als persoon die liefheeft en van wie gehouden wordt. Mijn familie gelooft vaak niet hetzelfde als ik en toch houden we van elkaar. En dus kies ik ervoor om in sommige situaties en gesprekken niets te zeggen, want ik vraag me dan af: wat is mijn intentie? Wat zou ik bereiken? Er zijn verhalen die ik niet zal vertellen zolang sommige mensen nog leven. Ik zou ze kunnen vertellen. Ik heb het recht ze te vertellen. Ik kies ervoor dat niet te doen vanwege mijn wens de mensen van wie ik houd te beschermen. Maar in mijn leven als burger en schrijver voelt het minder comfortabel mezelf het zwijgen op te leggen wanneer het over een belangrijk onderwerp gaat, over iets met echte gevolgen. Wanneer je schrijft werp je de stilte van je af, maar je onderhandelt ook telkens met de stilte. Ik zie censuur niet als iets wat van buitenaf komt. Ik zie het als iets wat we onszelf van binnenuit opleggen omdat we comfortabel willen blijven.

Omdat ik spreek over de gelijkheid van man en vrouw, omdat ik voorvechter ben van homorechten, wordt mijn ‘Afrikaansheid’ vaak in twijfel getrokken. Maar dit zijn gevolgen waarmee ik vrede heb. Ik geloof dat het voor ons allemaal beter is wanneer iedereen besluit zich uit te spreken. Dat je niet zwijgt over een zaak, een onderwerp, een situatie, een controverse, een onrechtvaardigheid die het waard is om je comfort voor op te geven.

Chimamanda Ngozi Adichie sprak vorig jaar op Brainwash Festival, kijk hier voor het programma van dit jaar.