Het goede leven en de vrije markt

In dit essay analyseren Ad Verbrugge, Govert Buijs en Jelle van Baardwijk vijf probleemgebieden van de vrije markt en het goede leven en bieden we perspectieven op oplossingen op die terreinen.

Laten we de problematiek van de vrije markt en het goede leven betreden via het ogenschijnlijk onschuldig voorbeeld van het aanschaffen van een spijkerbroek. Op het eerste gezicht is er niets aan de hand wanneer we een spijkerbroek kopen. Niets om ons druk over te maken, om over na te denken, geen onderwerp voor bezinning, reflectie of filosofie. De aanschaf van een spijkerbroek lijkt in eerste instantie eenvoudigweg een vrije keuze. De broek voelt lekker, het merk voelt lekker. Klaar. Onze samenleving is zo georganiseerd dat we ons bij een dergelijke aankoop puur tot deze transactie kunnen beperken. Online hoeven we zelfs niets meer te maken te hebben met straten, winkels, andere klanten en verkopers. Maar ook in de winkel zien we geen producenten, geen productieomstandigheden, geen tussenhandel, geen mogelijke milieuschade. En wellicht het meest ingrijpende van alles: we denken waarschijnlijk dat het normaal is wat we doen, dat we vrij zijn om te ‘bestellen’ wat we willen, in naam van een absolute vorm van vrijheid.

 

Een tweede voorbeeld, nader de problematiek in, dat van de file: een auto geeft een gevoel van individuele vrijheid. Iedereen beslist individueel en vrij wanneer, waarvoor en waarheen de auto te gebruiken. Prachtig. Maar vervolgens komen al die individuele beslissers andere individuele beslissers tegen die hetzelfde vrijheidsideaal hebben – en gezamenlijk staat men muurvast, einde vrijheid. Niet alleen blokkeert iedereen de vrijheid van de anderen, ieder blokkeert ook de eigen vrijheid. Een dergelijke stilstand als gevolg van het samenkomen van allemaal individuen die hun vrijheid uitoefenen, levert typisch een situatie op waar zaken in breder verband geregeld moeten worden. De taal van absoluut gestelde individuele rechten – in dit geval het ‘recht op mobiliteit’ – schiet tekort. Wat heb je aan een abstract recht, als dit niet concreet maatschappelijk, in de gemeenschap, vorm gegeven kan worden? Vrijheid behoeft vormgeving, anders slaat zij om in haar tegendeel.
 
 
De tekst loopt door onder de afbeelding.

 

Het fileprobleem is een voorbeeld van problematiek waarin het ideaal van abstracte vrijheid tekortschiet om het concrete leven van mensen goed vorm te kunnen geven. Werkelijke vrijheid blijkt pas mogelijk dankzij medemensen, instituties, ons lichaam, de natuur en misschien ook dankzij een bepaalde zinervaring. Bij het streven naar vrijheid en bevrijding van het individu zal rekenschap gegeven moeten worden van deze vijf dimensies waarin het goede leven gestalte krijgt. Onze stelling is dat indien dit niet gebeurt, deze dimensies zich vanzelf zullen doen gelden in ons bestaan en zich op ons en onze vrijheid zullen wreken.

 

Nu is weliswaar de basisgedachte van de vrije markt in onze ogen een uiterst waardevolle gedachte: in de lijn van Adam Smith en Hegel kunnen we haar omschrijven als het inrichten van een creatieve coöperatieruimte waarin zelfstandige personen, ieder met hun eigen waardigheid, ideeën en talenten, zichzelf kunnen ontwikkelen en de resultaten hiervan aan elkaar kunnen aanbieden om zo elkaars leven te veraangenamen en elkaars bloei te bevorderen. Dit is een typering van de markt in optima forma, in haar beste vorm, waarbij vrijheid een essentieel bestanddeel van deze ruimte is, een waarde in zichzelf en een voorwaarde voor het goed functioneren van het geheel.

 

Maar juist het ideaal van de abstracte vrijheid kan de zin of bedoeling van de vrije markt ondermijnen. De door abstracte vrijheid ‘ontketende’ markt gaat de menselijke bloei bedreigen, vormen hiervan zijn dehumanisering, ecologische uitputting en financiële verstikking. Deze ontsporingen zijn geen gebeurtenissen die ons simpelweg overkomen, hoewel ze misschien vaak wel zo worden voorgesteld. Maar precies deze voorstelling van zaken ontheft ons van onze eigen verantwoordelijkheid en handelingsruimte. Karl Marx sprak in dit verband van de ‘fetisj van de waar’; als zouden markten over een eigen soort toverkracht beschikken. Tegenwoordig wordt er in vergelijkbare termen over ‘de markt’ gesproken. Zij wordt gepresenteerd als een soort natuurverschijnsel of zelfs als een denkbeeldig subject dat allerlei commando’s geeft waaraan wij te gehoorzamen hebben en dat zelfs bepaalde gevoelens heeft. ‘De financiële markten houden hier niet van’ – klinkt het met enige regelmaat in het journaal. Daarmee wordt aan het oog onttrokken dat markten direct samenhangen met menselijk handelen en de wijze van omgang met de markt.

 
 De tekst loopt door onder de afbeelding. 
In een op abstracte vrijheid gerichte wereld gebeurt er iets op alle vijf bestaansdimensies van hierboven. Economisch gesproken komt de nadruk te liggen op vrijblijvende transacties tussen individuen. Relaties worden dan vooral beoordeeld in termen van wat ze opleveren voor het individu en hoe hij ze individueel beleeft. De natuur wordt bezien als een exploiteerbaar ding waarvan je zo goedkoop mogelijk gebruik wil maken en van wil genieten. Instituties (overheid, onderwijs, rechtspraak, etc.) worden zo ingericht dat ze ‘de economie’ dienen en commercieel aantrekkelijk moeten zijn. Het lichaam wordt het jachtterrein van marketeers die eropuit zijn dat er zoveel mogelijk geconsumeerd wordt en die mensen onophoudelijk prikkelen om lekker te doen waar ze zin in hebben. En ook de zinvraag lijkt uiteindelijk te worden opgenomen en te worden verstikt in een permanente vloedgolf van ‘belevenissen’, zaken die je meegemaakt moet hebben in het altijd weer te korte leven, dat voortdurend perfect moet zijn.

 

De uitdaging waar we voor staan is om het abstracte ideaal van atomaire vrijheid om te buigen richting een voller mensbegrip. Van daaruit kunnen we komen tot een breder en rijker begrip van de markt en de grenzen die zij in acht moet nemen; zodat zij ten dienste staat van de menselijke bloei. Maar wij zien marktwerking niet als per definitie pervers; mensen hebben in de geschiedenis veel meer te lijden gehad van staten dan van markten. Met name in zuidelijke landen bij de problematiek van de wereldwijde armoede spelen juist politieke problemen, failing states, meestal een belangrijkere rol dan het vermeende wereldwijd uitbuitende kapitalistische systeem. Er bestaan geen systemen of instituties die ‘automatisch’ heilzaam zijn. Elk institutioneel domein, de staat, de markt, de school of het gezin, behoeft namelijk een zekere ‘goodness’, dat wil zeggen behoeft een concept van het goede leven en een zekere mate van ordening, die het betreffende domein op koers van het goede leven houdt. Daarom kan noch een staat, noch een markt in absolute zin ‘vrij’ zijn. Het gaat ons dan ook eerder om het domesticeren en temmen van de markt als een raspaard, dan om het bestrijden of verjagen van een tijger. Hieronder geven wij op die vijf dimensies een paar korte aanduidingen van hoe die door ons bedoelde verbreding, verrijking, en heroriëntatie van de vrije markt er uitziet.

 

1. ‘Verdikking’ van marktrelaties

Ten aanzien van de relationele dimensie kunnen we een beweging voor ons zien van ‘verdikking’ van marktrelaties, pogingen om de economische ruiltransacties van een menselijk gezicht te voorzien, om daarmee de kwaliteit van ons leven omhoog te laten gaan. Dat zien we ten eerste al in de beweging, tegen de eerdere trend van globalisering in, richting de lokalisering van markten. Producten worden dichter bij huis geproduceerd waardoor er een relationele nabijheid kan ontstaan (‘streekproducten’). Ten tweede is er de nieuwe informatie en communicatietechnologie, die nieuwe vormen van ‘verdikking’ mogelijk maakt, omdat we steeds beter kunnen weten waar producten vandaan komen, wat de ingrediënten en grondstoffen zijn, en wat de productieomstandigheden zijn. Een verdikking van marktrelaties zal zich ook verder moeten uitstrekken naar de financiële markten die zich ontwikkeld hebben tot transactionalistische abstracties ad absurdum. Financiële instellingen zullen zich opnieuw de vraag moeten stellen voor wie, met wie en waartoe ze hun diensten verlenen.

 

2. Instituties: begrenzing van de markt

Ten aanzien van instituties kunnen we streven naar begrenzing van de markt, zodat haar denkwijzen en organisatievormen niet zomaar overgenomen worden in andere maatschappelijke sectoren. De markt veronderstelt gelijkwaardige personen die elkaar het nodige te bieden hebben en daarom tot uitwisseling kunnen komen. Maar in veel situaties zijn mensen niet gelijkwaardig en is er geen symmetrie. Binnen het onderwijs is de verhouding tussen leraren en leerlingen intrinsiek asymmetrisch: leerlingen zijn niet (voluit) productief – en dat hoeft ook niet. Maar daarom zijn ze ook geen ‘klant’. Onderwijs, zo zeggen we terecht, wordt ‘gegeven’. Ook in de zorg is zelden sprake van symmetrie tussen autonome personen, maar van asymmetrie, kwetsbaarheid en afhankelijkheid. Om zieke of oudere mensen als autonome ‘klant’ te positioneren ondermijnt de zorgrelatie.

 

Markten dienen ook de eigen ruimte van de private sfeer van gezin/familie te respecteren en de werkweek te begrenzen. We zien een sterke tendens, met name bij hoger opgeleiden, naar bijna totalitaire arbeidsverhoudingen, vaak aangejaagd door bewust georganiseerde onderlinge competitie, die diepe sporen trekt in de privésfeer en een woestenij van gebroken relaties aanricht.

 

Naast een uitwendige begrenzing zou de markt ook anders intern institutioneel kunnen worden vormgegeven. In termen van menselijke bloei of het goede leven, zou binnen de markt een faire afweging van verschillende belangen tot veel betere uitkomsten leiden dan het pure primaat van de aandeelhouder – Rijnlands versus Angelsaksisch. Dat kan men deels nationaal organiseren. Maar ook breder: het is ons een raadsel waarom Europa, als de grootste markt ter wereld, niet juist dit tot een speerpunt gemaakt heeft van het Europese project.

 

3. Het lichaam: consumptieve weerbaarheid

Ten aanzien van de dimensie van het lichaam zullen we moeten werken aan consumptieve weerbaarheid. Hoe leren we omgaan met de veelheid van prikkels op de markt? Hoe weerhouden we onszelf van – hier als symbolen genomen – verschijnselen als obesitas en verslaving? Hoe blijven we lichamelijk én geestelijk vrij? Daarvoor is aandacht voor lichaamscultuur nodig, die deels al bestaat in de vorm van de 19de en 20ste-eeuwse sportcultuur. In het verlengde hiervan kunnen we de contouren zien van lichaamscultuur, die de spirituele kant van het lichaam ontdekt, en die zich verder kan ontwikkelen in bewegingen rond gezonde voeding, slow food, etc.

 

4. De natuur: een ecologische transitie

Dit laatste punt gaat goed samen met de dimensie van de natuur. Met het oog op het goede leven en de duurzaamheid ervan is een verdere ecologische transitie nodig. Het zal vanzelfsprekend moeten worden dat wat uit onze natuurlijke habitat gebruiken, ook weer aan de natuur terug kunnen geven. Het is bizar, zowel tegenover de natuur zelf als tegenover toekomstige generaties, dat wij ons het recht toe-eigenen om binnen enkele decennia alle fossiele brandstoffen te souperen, de aarde op te warmen, en te vervuilen met allerlei chemicaliën en een onmetelijke hoeveelheid onafbreekbaar plastic. De ecologische transitie is een immense uitdaging, waar grote technische en sociale creativiteit voor nodig is. Daarbij zullen we ook onze materie-georiënteerde levensstijl aan de orde moeten stellen en toe moeten groeien naar een veel meer immateriële economie.

 

5. De zin: een holistische vrijheidsbegrip

Hierbij komen we bij de laatste dimensie, die van de zin. Op dit vlak zien we de ontwikkeling van een holistische vrijheidsconceptie, gekoppeld aan een rijkere, meerdimensionale conceptie van het goede leven. Die vrijheidsconceptie houdt de bevrijding van het individu overeind, maar bevrijdt deze van haar atomaire ontsporing en bedt haar in in de menselijke conditie. Het leven kan extensief geleefd worden – steeds maar meer, steeds maar verder… – maar ook intensief en daarmee bedoelen we een geïntegreerd leven waarin de diverse bestaanscondities tot hun recht komen en verzorgd worden. Hier raken we ook aan het existentiële thema van de vormgeving van het eigen leven. Dat kan ook impliceren dat we naar een bredere opvatting van spiritualiteit toegroeien waarin bijvoorbeeld de natuur een meer sacrale betekenis krijgt. In het verlengde daarvan kan de cyclus van slapen, waken, eten ook in termen van groene rituelen worden bezien met aandacht voor de inbedding van de mens in een groter geheel.

 

De vrije markt is als een ongetemd volbloedpaard dat getemd moet worden om werkelijk bij te dragen aan het goede leven en de bloei van wie we zijn. ‘Temmen’ gaat over teugels. Als we het bovenstaande nog wat meer samenvatten, kunnen we spreken van twee teugels waarmee de vrije markt ons daadwerkelijk brengt tot menselijke bloei. De ene teugel bestaat uit goed functionerende instituties. De tweede teugel bestaat uit een bij de vrije markt passende ‘mentaliteit’, ‘moraal’ of persoonlijke en collectieve ‘cultuur’. Het gaat hierbij om hoe we onszelf ervaren, in ons slagen en falen, in ons verlangen naar macht en volmaaktheid én in onze eindigheid en kwetsbaarheid, kortom, in hoe we ‘een goed mensenleven ervaren als een zinvol leven.

 

Ad Verbrugge, Govert Buijs en Jelle van Baardwijk spreken zaterdag 27 oktober op Brainwash Festival! Klik hier voor het hele programma. Kaartjes zijn hier verkrijgbaar.