Wij zijn NIET ons brein

MARKUS GABRIEL – Ik zou willen stellen dat het zoeken naar ons zelf, het project van de zelfkennis, volstrekt uit de hand loopt als we denken dat wij onze hersenen zijn. Het is waar, zonder een gezond stel hersenen zouden we er niet zijn, zouden we niet kunnen denken, wakker zijn of bewust kunnen leven. Dat betekent echter niet automatisch dat wij identiek zijn aan onze hersenen. Dat durf ik ook nu al wel te beweren, zonder eerst de talloze argumenten op te sommen die ertegen pleiten.

Een eerste onderscheid dat ons helpt in te zien dat we niet hoeven te geloven dat wij identiek zijn aan onze hersenen, ook al zouden we er zonder onze hersenen niet zijn, is het verschil tussen noodzakelijke en voldoende voorwaarden. Zo is het bijvoorbeeld voor een boterham met jam nodig dat ik over jam en brood beschik. Maar dat is nog lang niet voldoende. Want met jam in de koelkast en brood in de broodtrommel heb ik nog geen boterham met jam. Daarvoor moet ik de jam en het brood op de juiste manier met elkaar in verband brengen, bijvoorbeeld met behulp van boter.

Zo werkt het ook met de hersenen. Een van de redenen waarom wij niet identiek zijn aan onze hersenen is simpelweg dat we om te beginnen een lichaam hebben dat niet alleen uit neuronen bestaat, maar ook nog andere organen bevat die uit andere celtypen zijn opgebouwd. Bovendien zouden we zelfs niet bij benadering diegene zijn die we zijn, als we geen voortdurende sociale interactie met andere mensen hadden. Dan beschikten we niet over taal en waren we waarschijnlijk niet eens in staat te overleven. De mens is namelijk allesbehalve een geboren solipsist die een bewustzijn kan hebben zonder ooit met anderen te hebben gecommuniceerd.

Deze culturele feiten laten zich niet verklaren door de hersenen te bestuderen. Dan moeten we toch minimaal een groot aantal hersenen bestuderen die zich in verschillende, complete organismen bevinden. Daardoor wordt de zaak vanuit neurowetenschappelijk perspectief definitief te complex, omdat men zelfs al niet in staat is een enkel stel hersenen in zijn unieke vormgeving en plasticiteit volledig te beschrijven – laat staan bijvoorbeeld de sociaal-culturele structuur van een moderne grote stad in China, of desnoods een dorp in het Duitse Zwarte Woud – met de methoden van de neurobiologie! Dat is niet alleen een volstrekte utopie, het is bovendien tamelijk overbodig, aangezien we allang over heel andere methoden beschikken. Die methoden stammen uit de lange geschiedenis van de zelfkennis van de menselijke geest, en behalve de filosofie zijn dat natuurlijk ook de literatuur, de muziek, de kunst, de sociologie, de psychologie, de vele uiteenlopende geesteswetenschappen, de religies enzovoort.

In de filosofie van de geest gaat het bijvoorbeeld al meer dan honderd jaar voornamelijk over de verhouding tussen geest en hersenen, een kwestie die in de vroegmoderne tijd in het bijzonder door Rene Descartes (1596-1650) op scherp werd gesteld. Daarmee grijpt de filosofie van de geest terug op een oeroude vraag die al in het oude Griekenland klonk, maar zich nu in een nieuwe gedaante aandient, namelijk hoe ons lichaam zich in het algemeen verhoudt tot onze geest of onze ziel. Daarom spreekt men ook wel van het lichaam-geestprobleem. Het lichaam-geestprobleem is een variant op een veel omvangrijker problematiek. De meest algemene formulering van het probleem luidt: hoe kan er uberhaupt een bewust, subjectief geestelijk beleven bestaan in een onbewust, koud, zich objectief aan de hand van natuurwetten ontwikkelend universum? Dat heeft de prominente Australische bewustzijnsfilosoof David Chalmers (*1966) benoemd als het moeilijke probleem van het bewustzijn. Anders geformuleerd: hoe past ons ogenschijnlijk provinciale perspectief op het universum eigenlijk in dat universum dat ons voorstellingsvermogen ver te boven gaat?

Deze aanpak leidt vooral tot problemen voor de centrale vraag van de filosofie, namelijk de vraag naar wie wij eigenlijk zijn. De filosofie stelt ons in staat enkele wijdverbreide verkeerde gevolgtrekkingen op het spoor te komen. Zo zouden we bijvoorbeeld kunnen denken dat het ik het product is van de hersenen. We zouden dat misschien kunnen zien als een voordelige aanpassing in de strijd om het overleven tussen soorten en individuen. Als dat waar is, zou het bewustzijn simpelweg bestaan omdat bepaalde typen hersenen, namelijk die met een bewustzijn, in evolutionair opzicht succesvol zijn gebleken. Maar als ons ik het product is van onze hersenen, kan het daar niet zonder meer identiek aan zijn. Als A namelijk het product is van B, dan zijn A en B in elk geval niet strikt identiek. Het ik is of het product van onze hersenen (bijvoorbeeld als illusie die handig is voor het overleven, of als gebruikersinterface van ons organisme), of het is identiek aan de hersenen. We zullen toch echt een beslissing moeten nemen of in elk geval moeten proberen enige helderheid en coherentie aan te brengen. Dat is nu precies wat Sam Harris (*1967) in zijn boek Free Will op tamelijk drastische wijze achterwege laat. Daarin beweert hij werkelijk dat het ik het product is van de hersenen en dat het daarom niet vrij is.

Zomaar beweren dat we onvrij zijn omdat onze hersenen onbewuste beslissingen nemen en dan tegelijk wel denken dat wij met onze hersenen samenvallen, dat gaat dus om te beginnen al niet. Dan zouden we namelijk alsnog weer vrij zijn, aangezien de hersenen op hun beurt weer niet afhankelijk zijn van de onbewuste beslissingen van een ander systeem. Als het zo is dat mijn hersenen mij sturen, maar ik tegelijk ook mijn hersenen ben, dan sturen mijn hersenen zichzelf, dus dan stuur ik mezelf. Dan is de vrijheid niet in gevaar, maar juist verklaard. Op een bepaald moment wordt namelijk toch vrijheid verondersteld, al is dat dan misschien niet op het niveau van de bewuste, calculerende beslissingen.

 

Het bovenstaande fragment komt uit het boek ‘Waarom we vrij zijn als we denken’.