Het zwarte gat in mijn keuken

LISA DOELAND – In 1972 zette de laatste mens voet op de maan. De Amerikaanse astronaut Eugene Cernan om precies te zijn, gezagvoerder van de missie met de Apollo 17. Het zou voorlopig de laatste bemande ruimtereis blijken. Maar het was niet alleen om die reden een gedenkwaardige reis. Op 7 december maakte zijn crew vanuit het ruimteschip, op weg naar de maan, een foto van de aarde die de geschiedenis in is gegaan als ‘Blue Marble’. De aarde lijkt inderdaad op een blauwe knikker, een klein, kwetsbaar bolletje in een onmetelijke zwarte ruimte. Niet voor niets zei Cernan later over deze reis: ‘We went to explore the moon and in fact discovered the earth.’ We droomden van wat ons te wachten stond in de ruimte en niets leek onze vooruitgangsdrift en veroveringsdrang tegen te kunnen houden, totdat we omkeken en voor het eerst écht onze planeet zagen.

Het is geen toeval dat de inleiding van het rapport Our Common Future (1987), opvolger van het in 1972 verschenen The Limits to Growth van de Club van Rome, begint met het in herinnering brengen van dit beeld. Het beeld van de aarde vanuit de ruimte, zo staat in dat rapport geschreven, zal van grotere invloed blijken te zijn dan de Copernicaanse wending van de 16de eeuw. ‘From space, we see a small and fragile ball dominated not by human activity and edifice but by a pattern of clouds, oceans, greenery, and soils.’ Want je kunt dan wel weten dat het universum niet om jou draait, maar dat is iets heel anders dan het zíén. In de ruimtevaart bestaat hier een woord voor: the overview effect. Het buitenstaandersperspectief blijkt te leiden tot een cognitieve bewustzijnsverandering – vanuit de ruimte zie je geen grenzen, wel smeltende ijskappen en een krimpend Amazonegebied. Astronauten ervaren direct wat wij alleen maar weten. En dat blijkt niet hetzelfde. Niet alleen wíé we zijn doet ertoe, maar ook wáár we zijn.

Maar wij op aarde dan? Hoe moeten wij buitenperspectieflozen ons verhouden tot zoiets veelomvattends en complex als ontbossing en klimaatverandering? Want we mogen er dan middenin zitten en ons ieder voor zich verdomde nietig voelen, met z’n allen blijken we tot grote veranderingen in staat. Wat moet ík doen?

Met die vraag schoof ik twee jaar geleden aan bij een filosofische schrijfworkshop. Ik kreeg de opdracht om een viertal woorden die ik ermee associeerde op papier te zetten. Ik schreef: ‘klimaat’, ‘milieu’, ‘misdaad’ en ‘postmoderne detective’ (want ik studeerde ooit af op de ‘postmoderne detective’, een figuur die er doorgaans in de loop van het verhaal achter komt dat hij zelf geïmpliceerd is in de misdaad, of erger nog: er zelf verantwoordelijk voor blijkt te zijn). Daarna moest ik een tekst schrijven waarin ik geen van deze woorden gebruikte. Ik schreef toen dit: ‘Mijn prullenbak is niet meer wat het geweest is. Waar het vroeger een zwart gat was waarin dingen verdwenen, is het nu een ding waar ik moeite mee heb, omdat ik weet dat wat ik erin stop niet verdwijnt.’ De docente merkte op dat het onderwerp waarmee ik zo worstelde misschien niet zozeer iets groots en onbevattelijks was als ‘het klimaat’, maar eerder iets wat dichterbij staat: afval. Wat doen we eigenlijk wanneer we iets weggooien? Hoe wordt iets afval? En waar denken we dat de dingen die we in de prullenbak stoppen naartoe gaan? Want zoals we al zagen op die foto van de blauwe knikker: er is geen ‘weg’.

Als het idee van een gebrek aan ‘weg’ ergens treffend verbeeld wordt, dan is dat wel in de animatiefilm Wall-E. In deze film volgen we de schoonmaakrobot Wall-E, die op aarde is achtergebleven om onze rommel op te ruimen. De aarde is woest en leeg, alleen het afval is overgebleven. Wat van een afstand de torens van Manhattan lijken te zijn, blijken blokken van afval die Wall-E in de loop van eeuwen heeft opgestapeld. Ook de directe omgeving van de aarde is vergeven van troep. Een opstijgend ruimteschip moet zich niet alleen een weg banen door de dampkring, maar ook door een wolk van oude satellieten. Voor de mensen die Wall-E eeuwen geleden hebben achtergelaten om deze vuile klus op te knappen, bleek er maar één uitweg – de ruimte in. Daar wonen de mensen nu in een gigantisch ruimteschip. Op de aarde is alleen nog dat kleine robotje dat tussen onze rotzooi steeds schatten vindt. Wat wij waardevol vinden en wat Wall-E’s aandacht trekt, loopt uiteen. Een diamanten ring gooit hij ongeïnteresseerd weg, het doosje waar het in zat neemt hij mee. Wall-E schetst niet alleen een dystopisch beeld van een door vuilnis verwoeste aarde, maar stelt ook de vraag waarom we het ene ding waardevol vinden en het andere als afval beschouwen.

Wat maakt afval tot afval? Wat onderscheidt het waardevolle van het waardeloze? Het betekenisvolle van het betekenisloze? Wie afval onderzoekt, onderzoekt de menselijke cultuur. Het is meestal echter niet het onderdeel van onze cultuur waarop we ons het liefst laten voorstaan. Zo noteert John Scanlon in de inleiding tot zijn On Garbage dat de geschiedenis van afval en vuilnis gezien kan worden als een schaduwgeschiedenis van de moderne westerse cultuur. Niet alleen omdat afval ons confronteert met het residu van al die prachtige koopwaar die we produceren, maar ook omdat het ons eraan herinnert dat er dingen zijn die zich, al onze vooruitgangszin en rationaliseringsdwang ten spijt, nou eenmaal niet laten controleren. We scheiden van alles uit – CO2, plastic, poep (al speelt vooral de dierenmest ons parten), radioactief materiaal – maar we hebben geen idee waar het allemaal blijft of waar we het moeten laten. In die zin is afval het tastbare bewijs van de oncontroleerbaarheid van de wereld. En van ons gebrek aan overzicht over de complexe interacties die daarop plaatsvinden.

En dat is beangstigend. De Amerikaanse filosoof Eugene Thacker zoekt in In the Dust of our Planet. The Horror of Philosophy 1 een manier van omgang met die angst. Volgens Thacker wordt de wereld in toenemende mate ondenkbaar. Planetaire rampen, pandemieën, raar weer, in olie gedrenkte zeevogels en de altijd opdoemende dreiging van uitsterving, het is niet makkelijk om daarover te denken. Hij onderzoekt in zijn boek deze ‘filosofie van de horror’ met behulp van het idee van ‘de ondenkbare wereld’. Het gaat hem uiteraard niet om een filosofie van het horror-genre, maar, en ik citeer, om ‘the isolation of those moments in which philosophy reveals its own limitations and constraints, moments in which thinking enigmatically confronts the horizon of its own possibility – the thought of the unthinkable that philosophy cannot pronounce but via non-philosophical language’. Het denken van het ondenkbare dus, waarvan we gruwelen omdat het ons brengt tot de grens van ons bevattingsvermogen.

Wie de planeet van een afstandje beziet mag dan overvallen worden door een overweldigend gevoel van eenheid, wie erop zit ervaart vooral chaos. Of is er ook hier op aarde een cognitieverandering mogelijk? Door het ondenkbare te denken misschien? Via afval? Daar hoop ik de komende jaren achter te komen, zodat dat zwarte gat in mijn keuken ophoudt te bestaan.

 

Tijdens Brainwash Den Haag is Lisa Doeland aanwezig bij een programma van Denklab. Bekijk ons programma hier.