Het vormgeven van liefde

SIMONE VAN SAARLOOS – Als freelancer word ik elke dag opnieuw wakker in de leegte. Niet dat er geen continue stroom aan mailtjes en deadlines is, maar het is aan mij de taak om – zonder toezichthouder – mijn dag vorm te geven. Dat doe ik nu twee jaar en er is nooit iemand geweest die me heeft gezegd hoe het moet. In wezen doe ik maar wat, mijn enige bevestiging is het eindproduct – een tekst die wordt gepubliceerd.

Wat ontbreekt zijn de collega’s die je treft op een kantoor of instituut bijvoorbeeld, van wie je de kleinste dingen afkijkt – van hoe vaak koffie halen normaal is tot hoe je klanten aanspreekt. Inhoudelijk verschilt het werk van collega’s onderling misschien, maar qua vorm zijn er vaste omlijningen, veelal ongeschreven regels die dankzij herhaling zijn ontstaan en langzaam een collectief geheugen vullen.

Steeds meer werknemers willen een zzp-leven, terwijl veel zzp’ers moedeloos worden van de vrijheid. Om maar niet te spreken van de gedwongen zelfstandigen die het ondernemerschap dan toch verkiezen boven werkloosheid.

In de liefde en onze liefdesbeleving is iets soortgelijks aan de hand: voor een grote groep mensen zijn de traditionele kaders van het huwelijk en het kerngezin verdwenen. Zij komen uit gebroken gezinnen of gaan uit van de statistieken (een derde van de huwelijken gaat kapot, nog los van de verbroken ‘niet-wettige’ relaties). Sommigen hebben dat zelf zo gewenst en zoeken nieuwe, creatieve vormen; anderen missen die gemakkelijk te volgen culturele normen en grijpen terug op conservatieve overtuigingen.

We zijn een soort freelancers in de liefde: vrij, maar ook voortdurend gestrest. We weten helemaal niet hoe het moet. Dat wisten we natuurlijk nooit zeker, maar er waren wel bepaalde, redelijk rigide ideeën, onder meer over de verhouding tussen man en vrouw. De emancipatie van de vrouw heeft er goddank toe geleid dat we progressiever zijn gaan denken over gelijkwaardigheid. Maar het is onduidelijk wat die gelijkwaardigheid binnenshuis precies betekent en hoe we die vorm moeten geven.

Natuurlijk wordt er veel gesproken over de werkuren van vrouwen – parttime of fulltime? – en op dat punt stuiten we telkens op dezelfde vraag: moet/mag de vrouw zelf kiezen of niet? Een vraag die berust op veel onzichtbare aannames over keuzevrijheid en waarbij er bovendien van uitgegaan wordt dat de man uit maatschappelijk oogpunt fulltime werkt, terwijl de vrouw haar werkuren van persoonlijke voorkeur laat afhangen.

Onzin, de arbeidsintensiviteit van álle burgers (m/v dus) is verweven met hun persoonlijke leven. Het is een pré-individualistische gedachte dat het publiek belang, rationeel berekend, van het privéleven te scheiden is. Een zogenaamd helder onderscheid tussen privé en publiek, persoonlijk en maatschappelijk bestaat niet. Individuele keuzes staan niet los van het maatschappelijk belang, en omgekeerd. Vandaar dat onze overtuiging van ‘het goede leven’ binnenshuis, gepaard gaat met onze maatschappelijke ideologie. Wie alleen naar de politieke of ideologische ‘kern’ van een verandering kijkt, vergeet dat elk onderwerp tentakels heeft. Alles wat verschuift veroorzaakt beweging die weer nieuwe beweging in gang zet. Daarom raken we nooit uitgepraat – gelukkig.

Het is een politiek correcte preutsheid die natuurlijkerwijs optreedt bij progressieve emancipatie: de vrouwenemancipatie is meer dan een goede zaak en een noodzakelijk ideaal, maar we bespreken vervolgens niet wat die veranderingen betekenen voor bijvoorbeeld een liefdesrelatie.

En dat terwijl het slagen van idealen mijns inziens niet zozeer afhankelijk is van de intentie, maar van de uiteindelijke uitwerking in de praktijk. Want wat werkt wordt herhaald en wordt uiteindelijk normaal. Zo zijn emancipatorische begrippen als verbinding en gelijkwaardigheid weinig waard zonder de praktische onderzoeking ervan.

Theoretisch gezien vormen de twijfels die bijvoorbeeld voortvloeien uit gelijkwaardigheid binnen een relatie een probleem dat het gelijkheidsideaal weerspreekt – zoals alledaagse strubbelingen tussen bevolkingsgroepen het ideaal van de multiculturele samenleving weerleggen. Een ideaal moet sluitend zijn, terwijl in de praktijk grilligheden normaal zijn.

Natuurlijk, er wordt gesproken over wat verloren gaat. Er wordt altijd gesproken over wat verloren gaat, welke tradities op de schop gaan, welke waarden daarmee verdwijnen en wat een machtig verlies dat is. Maar we vergeten daarmee dat ieder verlies nieuwe ruimte schept. Bovendien was de echtelijke verbinding meestal een praktische, één die (over het algemeen) standhield dankzij een ideaalbeeld van het huishouden en een rigide taakverdeling tussen man en vrouw. Waren de buitenechtelijke affaires niet van het romantische soort waar de Hollywood film eindigt – vrij van toekomst en verleden, liefde geconsumeerd zonder verantwoordelijkheid – terwijl de duurzame relatie meer lijkt op een model van kosten en baten, waarin veiligheid en zekerheid wordt gevonden dankzij wederkerige afhankelijkheid?

Wellicht neigen we, in tijden van onzekerheid (alle tijden dus?), óf naar het schetsen van een doemscenario (zoals je in de jaren vijftig zag dat mannen hun vrouwen ‘strakker’ hielden, omdat hun afwezigheid tijdens de oorlog echtgenotes en moeders onafhankelijker had gemaakt), óf stellen we alles omkerende revoluties voor (waarin wordt gesteld dat geen man meer nodig is). Wat ontbreekt is een speelse ruimte waarin, zonder vooroordelen, kan worden nagedacht over ongekende vormen.

Die ongekende vormen brengen ook moeilijkheden mee: ben je als individu dan ook verplicht alle mogelijkheden die voorhanden zijn te benutten? Gelijke kansen brengen een nieuwe, versplinterde verantwoordelijkheid mee. Een duidelijke rolverdeling ontbreekt nog: men wordt geboren als een tabula rasa, een blanke strippenkaart waarop je eigenschappen en ervaringen kunt verzamelen. Iedereen moet alles kunnen én ervaren – om uiteindelijk de ware zelf te vinden. Daar is principieel niets mis mee. Als freelancer ontwikkel je jezelf juist op die manier, je vindt niet wat je zoekt, maar je zoekt wat je vindt door nieuwe dingen te proberen. In de marktmond heet dat op een representatieve manier: ‘dynamisch’ en ‘multi-inzetbaar’.

Je zorgt als freelancer bovendien dat je altijd verschillende opties hebt; je moet immers nooit afhankelijk zijn van één grote vis alleen, liever heb je er veel tegelijk om je heen. Dat betekent wel dat je al die vissen even tevreden moet houden als had je maar één grote vis. Iedere werkgever moet het gevoel hebben de enige te zijn.

We moeten, kortom, onze overgave en toewijding spreiden. Als je de vergelijking met de liefde doortrekt: een succesvol freelancer is een polygame lover die in iedere geliefde investeert, altijd vol overgave. Best stressvol, misschien.

Mijn liefde voor fictie én filosofie, leidt ertoe dat ik een voorstander ben van het gedachte-experiment. Ik geloof niet in het prediken van wat moet, maar in het voorstellen van wat kan. Als wij mensen werkelijk waren voorbestemd tot één soort gedrag, een uit de natuur gegeven voorkeur voor monogamie of juist polygamie, voor gelijkheid of ongelijkheid, dan waren onze culturele verschillen niet zo veranderlijk en talrijk geweest en was de filosoof allang uitgespeeld. Zelfs betweter Wittgenstein kwam immers, na een tijdje alleen wereldse zaken te hebben behartigd, terug op zijn eigen ideeën.

Ik hou van denkers die zich, op gezette tijden, niet laten remmen door de werkelijkheid. Anders zou het altijd gisteren zijn.

 

Downdaten

Ik ga niet de barricaden op voor downdaten, ofwel het zoeken van een geliefde die lager opgeleid is. Een idee bestaat namelijk niet bij de gratie van wetmatigheid. Het is een gedachte-experiment waardoor hopelijk bepaalde verlangens van de (hedendaagse) mens blootgelegd worden.

Bijvoorbeeld dat de meesten graag een duurzame relatie willen en een stabiel huishouden, terwijl ze tegelijkertijd romantische verlangens koesteren en ook buitenshuis een ‘succesvol’ leven willen. Om die verwachtingen te laten samensmelten, zullen we tegelijkertijd andere eisen en vooroordelen moeten laten varen.

De liefde tussen twee hoogopgeleiden is ontzettend asociaal, improductief en bovendien maatschappelijk onverantwoord. In maart 2013 verscheen in NRC Handelsblad – de krant voor hoogopgeleiden – een artikel over een bepaald vrouwenoverschot: hoogopgeleide vrouwen kunnen geen mannen vinden die even intelligent en zelfbewust zijn als zij. Iets eerder werd een documentaire van vpro’s Bram van Splunteren uitgezonden: Tussen Bitch en Bambi, waarin onder andere sterke, ambitieuze, carrièregerichte vrouwen spreken over hun vrijgezellenbestaan. De bitches en bambi’s benadrukken dat er geen leuke, hoogopgeleide mannen beschikbaar zijn. Maar voor minder dan hoogopgeleid doen ze het niet.

Als reactie schreef ik een brief naar de NRC (30-03-2013), waarin onder meer het volgende:

‘In de opiniebijlage van afgelopen weekend wordt er verschillend gereageerd op het “overschot” aan hoogopgeleide vrouwen. Wat echter niet wordt geopperd, is dat downdaten zo erg nog niet is. In plaats van vreemd of fout lijkt downdaten mij bovenal logisch. De term “downdaten” is nieuw, maar het gebruik allerminst. Sterker nog, downdaten is zo oud als de mensheid: mannen hebben nooit anders gedaan. Sinds Eva in de appel beet, worden wijze vrouwen gemeden.

Wat we voorheen een relatie, affaire of huwelijk noemden, heet nu downdaten. Een relatie met een laag opgeleide man wordt algauw gezien als “genoegen nemen met”. Alsof de vrouw in kwestie wel hoogopgeleid, maar niet verstandig en zelfbeschikkend is.’

Als antwoord op die brief kreeg ik een mail van Arnon Grunberg,

Dag Simone,

Het probleem lijkt mij minder gelegen in een al dan niet reëel vrouwenoverschot als wel in iets wat in Nederland nog altijd een taboe is, klasse. Welke academisch opgeleide vrouw neemt genoegen met de loodgieter?

Misschien fantaseert ze over de loodgieter, die haar in haar fantasieën neemt zoals de student sociologie dat nooit zou kunnen, denkt zij, maar nooit zal ze haar vriendinnen of ouders tegemoet durven treden met een loodgieter.

Dat mannen overbodig zijn, [ook dat had ik ietwat recalcitrant in mijn brief geschreven] is geheel juist, maar je onderschat het latente masochisme in mannen en vrouwen dat aan het verlangen naar afhankelijkheid ten grondslag ligt.

Terecht wijst Grunberg op het verlangen naar afhankelijkheid, maar daarmee onderstreept hij onbedoeld de noodzaak van het downdaten.

Ook kreeg ik enkele boze brieven, veelal van nette heren die vonden dat ik een ‘primatenboek’ moest lezen om iets van de menselijke natuur te begrijpen. Deze heren zochten niet naar dé menselijke natuur, maar naar de menselijke natuur die hún visies en levensstijl legitimeert. Die zogeheten primatenboeken hebben ons bovendien geleerd bepaalde groepen mensen te haten, tot we leerden dat ‘zij’ eigenlijk ‘wij’ waren. En zo blijkt de geschiedenis een voortdurende beweging van het ‘zij’ naar ‘wij’ – en andersom.

Mijn liefde voor literatuur en lezen – een oefening in inleving – komt voort uit dat gegeven: iedere jij is een eventuele ik. Zelfs als iets totaal niet voor jou werkt (bijvoorbeeld downdaten), kun je dat alleen maar weten door van de jij een ik te maken, al is het maar in gedachte. Het is een stap voorbij het christelijke principe: Wat gij niet wilt dat u geschied, doe dat ook een ander niet. Dat gebod, in intentie nobel, vertrekt nog te veel vanuit de eigen wensen, de eigen leefwereld en ideeën.

Vandaar dat de ideeën van de Amerikaanse filosoof John Rawls ten grondslag liggen aan mijn downdate-betoog. Met zijn ‘sluier van onwetendheid’ [veil of ignorance] liet hij het belang van inleving zien. Zijn neoliberale filosofie sluit bovendien nauw aan bij deze tijd van winstmaximalisering en individualisme. Toch heeft hij een rechtvaardige samenleving als hoogste doel gesteld, waardoor hij redeneert vanuit een breder perspectief.

Dat we er gevoelsmatig nog niet klaar voor zijn om de loodgieter aan onze vrienden, familie en collega’s voor te stellen lijkt me een kwestie van tijd. Liefde wordt vaak als iets puur persoonlijks gezien. Dat is echter te naïef gedacht, het is meer dan dat: er zit een sturende markt achter, vol reclames en vermaak. Er zit een politiek omheen: de vorming van wat normaal is, efficiënt ook. Net als bij het ‘moderne werken’ lopen privé en publiek belang door elkaar. Dat moeten we leren vormgeven, maar hoe? Je zou willen zeggen: Dat moet je zelf weten, maar omdat die puur persoonlijke keuze niet bestaat, kunnen we alleen redeneren vanuit generalisaties.

Liefde is in de basis namelijk praktisch en dus utilistisch. Het nut van liefde bepaalt de esthetiek ervan. De samenlevingsvormen die wij hebben gekozen – een monogame relatie met 1,8 kinderen – zijn niet zozeer natuurlijk: wel handig en zeker gemakkelijk te reguleren en besturen. Bachanalen, sadomasochistische orgies en vijftig tinten grijs passen niet in een geordende, veiligheidsfetisjistische maatschappij waarin ov-chipkaarten en ah-bonuspassen ons gedrag registreren en analyseren.

Er was een tijd dat ik een levensstijl van bacchanalen propageerde. Maar ik ben moe – pas vierentwintig jaar en rauw gestreden. Na de zoveelste vreemde man in mijn bed – de vermoeidheid en kans op ziektes die dat meebrengt – heb ik begrepen dat een volledig ander of omgekeerd liefdesideaal inderdaad niet handig of vooralsnog te vooruitstrevend is. Dus wat is dan wel praktisch?

Er wordt behoorlijk geklaagd over de beleving van de moderne liefde. Tijdschriften staan vol tips, er verschijnen boeken onder het mom van ‘Liefde in tijden van Facebook’ en datingsites (als e-matching) knagen aan ons gevoel van authenticiteit. Het probleem is echter dat we zoeken naar gelijkheid.

Zoals ik eerder zei: tot enkele decennia geleden waren mannen altijd hoger opgeleid dan hun partner, simpelweg omdat er weinig goed geschoolde vrouwen waren. Hij was kostwinnaar, trad naar buiten, leidde een publiek leven. Zijn vrouw was minder geschoold, bleef thuis en hield het privédomein op orde. Die wederkerige afhankelijkheid maakte dat de liefdesrelatie kans van slagen had. Het was zelfs een romantisch ideaal: niet zonder elkaar te kunnen.

Die afhankelijkheid verdween met de emancipatie van de vrouw en de verzelfstandiging van het individu.

Ik pleit niet voor het terugdraaien van de emancipatie van de vrouw. Allerminst! Maar de verwachting dat liefde, na duizenden jaren van ongelijkheid, gewoon hetzelfde blijft wanneer de spelers van het spel veranderen, dat lijkt me naïef. Onafhankelijke liefde bestaat niet. Men moet iets bij elkaar te halen hebben, willen we voor langere tijd samen blijven.

Echt waar, wanneer wij niets nodig zouden hebben – al was het maar een beetje huid-op-huidwarmte, een fluisterende liefkozing of een stilzwijgende bevestiging dat we het waard waren – was de monogame samenlevingsvorm niet zo populair geweest.

Gelijkheid is niet sexy. Daar kunnen we allerlei freudiaanse verlangens en lusten aan koppelen, maar liever wil ik rationele argumenten aandragen voor downdaten. Gelijkheid is niet sexy, maar bovenal is gelijkheid, of gelijke liefde, niet rechtvaardig.

Ik wil me hier beroepen op de rechtvaardigheidstheorie van de eerder genoemde filosoof John Rawls. In 1971 verscheen zijn bejubelde boek A Theory of Justice.

Een belangrijk door Rawls geformuleerd principe is het verschilprincipe, het difference principle. Rawls erkent dat er onderlinge verschillen zijn waar we weinig aan kunnen veranderen. Hij doelt bijvoorbeeld op aangeboren intelligentie, het gezin waarin je opgroeit, maar ook onvoorspelbare factoren als geluk en pech spelen een rol in elk mensenleven. Willen we een rechtvaardige verdeling van goederen en privileges, dan moeten we volgens Rawls juist rekening houden met onderlinge verschillen.

Neem het simpele rekenvoorbeeld van een taartverdeling, ook dit jaar vast onderdeel van de Citotoets. Wanneer je een gelijke verdeling maakt, krijgt ieder een even groot stuk taart. Rawls is het daar niet mee eens: er mag best verschil zijn, alleen moet dat verschil voor ieders bestwil zijn. Sommigen mogen best een grotere punt, omdat zij in staat zijn dat grotere stuk te vergroten tot nog meer lekkers. Dit omdat ze geluk hebben, intelligent en productief zijn. Op die manier heeft niet iedereen een gelijk stuk, maar zijn er onderlinge verschillen die ervoor zorgen dat de taart in zijn geheel groter wordt. Het verschilprincipe zorgt er dus voor dat de mensen die het slechtste af lijken te zijn, in feite meer voordeel hebben dan wanneer de taart gelijk zou worden verdeeld.

In de huidige samenlevingsstructuur zijn lager opgeleiden de minderbedeelden. Zij verdienen minder, zijn minder gezond en genieten minder kansen. Door hen in aanraking te brengen met de hoogopgeleiden genieten zij mee van de kennis, rijkdom en levensstijl die de beter bedeelden bezitten. Omgekeerd heeft de hoogopgeleide echt iets aan zijn bevoorrechte positie omdat hij anderen hierin kan laten delen en zo levert zijn voorrecht ook voldoening op. In een liefdesrelatie is deze verhouding paritair: beide partijen halen een voordeel uit wederkerige afhankelijkheid.

Niet alleen ontstaat er een geestelijke dynamiek waarin partners elkaar complementeren door aandachtig te zijn voor andere aspecten van het leven, ook het huishouden zal er een van afhankelijkheid zijn: de een verdient meer en leidt een publiek leven, de ander profiteert daarvan en zorgt dat het privé op orde is.

Net als vroeger dus, maar dan expliciet niet seksegebonden. Niet voor niets kreeg Rawls kritiek dat hij te rationeel was en te weinig rekening hield met gevoelens – bijvoorbeeld jaloezie.

Gelukkig beteugelt downdaten jaloezie. We behouden, zoals gezegd, het monogamiemodel dat over het algemeen prettig werkt in een georganiseerd en druk leven. Maar liefst zestig procent van de ontrouwe partners gaat vreemd met iemand van het werk. Wanneer we collectief afspreken dat we niet meer verliefd raken op iemand van ons eigen opleidingsniveau, zal het risico van vreemdgaan ook verminderen. In plaats van mannen en vrouwen van elkaar te scheiden, zoals vroeger gebeurde, hoeven we nu alleen laag- en hoogopgeleiden bij elkaar vandaan te houden. Dat is, om Grunberg te citeren, nogal een taboe standpunt. Maar er hoeft eigenlijk niets te veranderen. We leven allang gescheiden.

Zo wordt in Eindhoven een recordaantal autistische kinderen geboren. Dat is, volgens bepaald onderzoek, een gevolg van de vele hoogopgeleiden die daar klitten aan de Technische Universiteit, terwijl plus en min eigenlijk veel gezonder is. Maar tot nog toe is dit hoe wij onze geliefden ontmoeten: tijdens een valentijnsdiner voor humanisten, op school, door samen een keer te studeren, op het werk. Wanneer we collectief gaan downdaten heeft dat een beschaafdere samenleving tot gevolg. Want wanneer de buschauffeur een mogelijke nieuwe minnaar is, loop je hem niet meer brommend voorbij. Of denk aan het kassameisje, dat je nu nauwelijks gedag zegt, maar dan wel diep in de ogen zult kijken.

Het zal even wennen zijn, wanneer sbs op de achtergrond tettert, en niet de nos.

Maar smaak is niet natuurlijk. Smaak is bij te sturen. We moeten vooruitstrevend zijn. Om een rechtvaardige samenleving te creëren, maar ook om de liefde te redden van de huidige gelijkheidsgevangenis waarin we vastzitten.

Dit artikel is gepubliceerd in het boek:
Brandstof. Vlammende dialogen over vragen van levensbelang.